WOENSDAG 26 NOVEMBER 2003 | BEIJING
logo

uitzending
Dag 37 - Kunstenaars in Beijing


Zhang Ke Jia

Ik maak films over de recente ontwikkelingen in China. Maar het zijn geen politieke films. Mijn nieuwste film gaat over vier meisjes van het platteland die naar de grote stad trekken om als danseres te werken in een groot internationaal hotel. China zit midden in een periode van enorme urbanisatie, en veel mensen trekken van de provincie naar de steden. Ik wil geen commentaar leveren op deze ontwikkeling, maar enkel de persoonlijke verhalen van die vier meisjes vertellen.

Het is nu makkelijker om films te maken dan een jaar of tien geleden. Voor je een film gaat maken, moet je het script voorleggen aan een staatscommissie. Onlangs zijn de regels daarvoor versoepelt. De overheid ziet nu in dat het geen zin heeft om alleen maar propagandafilms te maken, dat toch niemand dat serieus neemt. En veel regisseurs die ondergronds werkten en hun script niet lieten goedkeuren zijn de laatste jaren op buitenlandse filmfestivals enorm populair geworden. De regering omarmt hen nu opeens als een soort culturele ambassadeurs die bewijzen dat China ook op filmgebied meedoet in de wereld. Al blijven er natuurlijk nog altijd onderwerpen die gevoelig liggen en die je beter niet aan kunt snijden.

Ik heb mijn script nu voor het eerst ingeleverd bij het filmbureau, maar ik heb nog geen reactie gehad. Ik hoop dat het wordt goedgekeurd. Tot nog toe werden undergroundfilms in China vooral als politieke films gezien. Ze waren immers door de overheid verboden. Ik hoop dat dat gaat veranderen. In Amerika heb je ook een undergroundfilms. Die leveren toch ook niet allemaal kritiek op de Amerikaanse regering? Underground betekent daar dat je films maakt die anders zijn dan Hollywood-films, niet dat ze per se politiek moeten zijn. Ik hoop dat we in China ook dat soort underground films kunnen gaan maken.



Yu Hong

Mijn man en ik zaten in de jaren tachtig op de kunstacademie. Toen was er absoluut nog geen markt voor schilderijen. We hadden ook geen idee dat die er ooit zou komen. We woonden in een klein huisje en maakten onze kunst. Veel hadden we toen niet, maar dat was ook niet zo'n probleem. Niemand in China had veel geld, je kon ook moeilijk veel geld uitgeven. Restaurants of bars waren er nauwelijks, en de huur en het eten op de markt kosten ook bijna niets. Begin jaren negentig werd er voor het eerst een schilderij van ons verkocht. We hadden een groepstentoonstelling georganiseerd, en iemand die in het buitenland woonde kocht toen een schilderij van mij. Ik weet het nog goed, ik vond dat natuurlijk fantastisch. Daarna is ons leven eigenlijk in een stroomversnelling gekomen. Mijn werk is inmiddels in verschillende landen tentoongesteld. We geven ook allebei nog les op de kunstacademie in Beijing. Mijn man heeft in 2005 een grote tentoonstelling in San Francisco. Veel van onze kopers zijn buitenlanders. Chinezen zelf hebben de moderne kunst nog niet echt omarmd, al lijkt dat nu zo'n beetje te veranderen. De eerste Chinezen beginnen nu ook schilderijen te kopen.

Ik werk nu aan een serie. Ik maak schilderijen van foto's uit mijn alledaagse leven, en die hang ik naast berichten uit kranten of tijdschriften uit hetzelfde jaar. De overheid laat ons redelijk met rust, we hebben alle ruimte om kritiek te uiten. Films en literatuur worden gecensureerd, maar de schilderkunst bereikt maar zo'n klein clubje mensen dat de overheid ons onze gang laat gaan. Ik maak ook veel kunst over de culturele revolutie. Die vormt ook een belangrijk onderdeel van mijn leven, van mijn herinneringen. Ik was een kind in die tijd. Ik weet nog dat mijn vader en moeder allebei naar het platteland werden gestuurd om te leren van de boeren. Allebei naar een ander boerendorp, ze zagen elkaar in die tijd misschien eens per maand. Voor mij als kind was het niet zo'n heel verschrikkelijke periode. Mijn moeder moest voortdurend naar allerlei politieke vergaderingen. Het mooie was, daar hadden ze altijd veel papier en potloden, zo heb ik avonden lang tekeningen gemaakt.



Tianzi Xie

Van jongs af aan wist ik eigenlijk al dat ik kunstenaar wilde worden. Na mijn middelbare school ben ik eerst design gaan studeren in de hoofdstad van mijn provincie. Maar ik vond het niets, en toen ben ik - zes jaar geleden - naar Beijing getrokken. Dat was geen makkelijke periode. Ik speelde in een paar rockbands, en schilderde, maar kon er geen geld mee verdienen. Om toch wat geld te verdienen, verkocht ik illegale DVD's op straat. De laatste tijd gaat het wat beter, ik heb me vol op het schilderen gestort. Ik werk vanuit mijn gevoel. Pas wanneer een schilderij af is, weet ik waar het eigenlijk over gaat. Natuurlijk is het mijn droom om - net als de Chinese schilders die nu in het buitenland zo populair zijn - ooit mijn kunst te tonen op de Biennale van Venetiƫ. Maar zij maken politieke kunst. Kunst die kritiek levert op de Chinese regering of het sociaal realisme parodieert. Dat soort kunst is bij buitenlanders heel populair. Zij zijn er miljonair mee geworden, ze wonen in grote huizen met enorme auto's voor de deur. En ze maken al meer dan tien jaar exact hetzelfde. Veel kunstenaars proberen hun stijl te kopiƫren en zo ook een graantje mee te pikken. Zo kun je tenminste wat verdienen, eigenlijk wil slim. Als ik dat soort politieke kunst zou maken, zou ik waarschijnlijk ook makkelijker kunnen verkopen. Maar ik heb er niets mee. Politiek speelt geen rol in mijn leven, en ik wil er ook geen kunst over maken.